Meneer pastoor

Buiten is het bloedheet, maar in het clubhuis van toerclub Velocitas is het lekker koel. Het is lang geleden dat de zon de mensen naar binnen joeg vanwege de hitte. Om de tafel zitten de helden van weleer, thuis de kasten vol met stoffige bekers en medailles, gewonnen met koersen rond de dorpskerken in Brabant en België. Hun vroeger zo gespierde benen zijn zo rap niet meer maar hun mond des te meer. Na ettelijke borreltjes komen de “sterke verhalen” los.

“Herinneren gullie oew eigen ut wonder van pastoor Willebrordus nog”?, roept Pietje.

Pastoor Willebrordus was een gezellige Brabantse mens met het hart op de juiste plaats, die hield en genoot van het Bourgondische leven. Hij was lid geworden van onze toerclub vanwege zijn groeiende omvang, zelfs het opstappen op zijn omafiets ging gepaard met het gebruikelijke zuchten en kreunen, tekenen van een slechte lichamelijke conditie.

Het voorval gebeurde vele jaren geleden. Het was net zo’n warme dag als vandaag, misschien nog wel warmer. De pastoor was alleen op pad met z’n tweedehandse Koga. Hij wilde eerst in zijn eentje wat aan zijn conditie doen voordat hij zich, zondags na de vroegmis, aansloot bij de club om hun wekelijkse rondje mee te fietsen. Na een twintigtal kilometers begon de miswijn echter te werken en ook de verzengende hitte deed een pauze rechtvaardigen. In de buurt van Olland zocht hij wat verkoeling onder de bomen aan de oever van de door het landschap meanderende Dommel. O, wat lokte het koele water. Zo helder was het water nog nooit geweest, kabbelend tussen de dichte varens op de oever.

“Ach meneer pastoor..….”. Hij meende de stem te horen van Carolientje, de dochter van de slager, maar hij zag haar niet. “Meneer pastoor, gaat u toch lekker het water in. U zult zien hoe fijn het is. Nee, niemand kan u zien. Uw parochie is ver weg en op dit heetste uur van de dag is er geen sterveling op het land”.

Even aarzelde hij, maar toen bezweek hij voor de verleiding, tenslotte was hij ook maar ’n mens van vlees en bloed. Hij wierp nog een snelle blik om zich heen en even later streelde het koele water zijn verhitte huid.

Als hij opnieuw zijn naam hoort roepen en opkijkt, ziet hij het meisje naakt op de oever staan. Verschrikt klautert hij zo snel hij kan op de kant en pakt zijn racepetje, om schielijk te bedekken wat er te bedekken valt. Het meisje lacht luid, zo luid dat het galmt tussen de bomen. Op hetzelfde moment scheert een zwerm horzels over het water naar hem toe en steken hem in zijn achterste. Als hij, schreeuwend van pijn, met beide handen naar zijn billen grijpt en wanhopig zijn ogen naar de hemel opslaat, komt Onze Lieve Heer hem te hulp.

Want het petje, niet te geloven, het petje valt niet!

“Waor de gin wonder?”, besloot Pietje, zijn borreltje in één teug achterover slaand.

De Fransman

Terug naar Fietsverhalen.