Herdershond

Behoudens de titel heeft dit verhaal niets te maken met de gelijknamige tv-serie (lang geleden) over de belevenissen van kapelaan Odekerke. Dat ging over een ander soort herdershond. Hier gaat het ondubbelzinnig over mijn eigen herdershond. Om precies te zijn over mijn Duitse herder teef Festa. Onlangs is ze twaalf jaar geworden, voor een grote hond een respectabele leeftijd.

We beseffen dat ze niet lang meer bij ons zal zijn en daar bereiden we ons al enigzins op voor. Dan komt haar einde niet geheel onverwachts.

Festa is een lieve, fijne, betrouwbare hond en zal altijd een speciale plaats in ons hart en in onze gedachten hebben. Ze heeft een prima karakter. Nooit heeft ze iets misdaan, mens noch dier, ofschoon ze het toen onze kinderen nog klein waren soms zwaar te verduren kreeg. De kinderen klommen boven op haar, paardje rijden, of peurden met hun vingertjes in haar oren, ogen en neus. Ook bonden ze haar in de winter voor de slee, gingen erop zitten en lieten zich door haar trekken. Festa vond het tot op zekere hoogte best, wendde soms haar kop af, of als ze er echt genoeg van kreeg gromde ze een keer quasi dreigend en ging ergens anders liggen. Ze heeft pups gebaard, nooit iets gemankeerd en is op haar oude dag nog erg levenslustig, hoewel de sleet al geruime tijd in haar zit; haar ledematen zijn door ouderdom aangetast waardoor ze moeilijk en traag loopt. “Wat heeft dat nou met fietsen te maken?” zullen jullie je wellicht afvragen. Nou, Festa is, of eigenlijk was, een van ons. Ze was een fietster. Natuurlijk fietste ze niet zelf maar ze liep graag naast de fiets mee. Niets bijzonders hoor, ze was altijd al liever lui dan moe. Na een uurtje had ze het wel bekeken. Dan wilde en kon ze niet meer en gooide ze het spreekwoordelijke bijltje erbij neer. Een knappe kop die haar dan weer overeind kreeg. Na een fikse fietstocht was ze helemaal afgepeigerd. Afzien kon ze niet. De fietstochten met Festa behoren derhalve tot de verleden tijd. Sinds wij getrouwd zijn, mijn broers, zussen en ikzelf, hebben wij allemaal honden. En allemaal van die joekels, de een nog groter dan de ander. Mijn vrouw en ik dus ook een en nadat onze kinderen waren geboren hebben we veel verschillende huisdieren gehad. We vinden dat kinderen ermee moeten opgroeien. Je kunt het zo gek niet bedenken of we hebben het gehad. Langharige, borstelharige en gladharige cavia’s. Katten in allerlei soorten en maten. Japanse dansmuizen, konijnen, parkieten, dwergpapegaaien, goudvissen, hamsters, (water)schildpadjes en zelfs wandelende takken. Na verloop van tijd zijn ze echter allemaal doodgegaan. Dat geeft elke keer weer een hoop verdriet en ellende.

Zo’n beestenbende willen we nu niet meer. Behalve een kat. En uiteraard weer een hond. We weten nog niet welk merk, maar het wordt in ieder geval weer een grote. Wij houden niet van kleine honden. Grote honden houden er trouwens ook niet van. Die valse, chagrijnige, keffende en kuitenbijtende minkukels kun je nauwelijks honden noemen. Het zijn kneusjes, mislukte aftreksels van hun grotere soortgenoten. Ze kunnen niet eens blaffen. En ze schijten alles onder. Dat komt omdat ze het niet zo lang op kunnen houden met die korte darmpjes. Grote honden hoef je maar drie keer per dag uit te laten, maar kleine minstens het dubbele aantal. Om die tekortkomingen te compenseren zijn ze ontzettend arrogant en doordat hun baasjes ze ook nog eens kinds behandelen in plaats van honds worden ze vreselijk verwend (lees verpest).

Wees nou eerlijk: een bouvier naast de fiets is toch veel mooier dan een poedel in een mandje aan het stuur? Nee, de volgende wordt weer een klasbak. Een Dobermann bijvoorbeeld.

Of een Collie. Dat moeten uitstekende fietsers zijn.

De Fransman

Terug naar Fietsverhalen.