Een dame uit Suriname

Ik heb al eerder de loftrompet over Carmen, mijn vriendin, gestoken. En ik kan dat blijven doen, maar dan wordt ze nog ijdeler (dan ze al is). Dus dat doe ik niet. Trouwens, ondanks het feit dat er een opera over haar is geschreven is ze helemaal niet zo perfect hoor. Ze heeft ook haar eigenaardigheden. Daarover later meer. Eerst nog wat lof. Over lof gesproken: Carmen kan heel lekker koken. En we eten altijd gezond met veel verse groenten. Nasi, trassie, petassie, ik weet niet hoe het allemaal heet (over heet gesproken), ik schep meerdere keren op (over opscheppen gesproken) en ik lik mijn vingers erbij af (over afl..........nou ja, laat ook maar zitten). Alles prima wielrennerskost overigens; het wemelt van de koolhydraten.

Maar antroea lust ik niet. Bah! En fladder en bere eet ik beslist niet. Getver! Ik wil niet eens weten wat het is. Toevallig weet ik het wel, het is pens, maar liever had ik het niet geweten. Bij het zien en ruiken alleen al krijg ik braak(hekke)neigingen. Alhoewel, ik eet ook verse worst, frikadellen en zult en ik moet er niet aan denken welke ingrediënten daar allemaal in zitten, maar ja, wat de boer niet kent, he? Het is alweer een hele tijd geleden dat ik een bord dampende, vastkokende eigenheimers heb gezien. Ik verlang naar spinazie en zuurkool met worst en spruitjes met spek. En ik doe een moord voor een patatje met.

De (eigen)aardigheden betreffen het fietsen. Carmen moet wel met andere mensen mee fietsen. Op de eerste plaats vergeet ze altijd reservemateriaal mee te nemen en als ze het toevallig wel bij zich heeft weet ze het toch niet te gebruiken. Ik liet haar eens zien hoe je een band moet plakken en verwisselen. Ze wees naar het ventiel en vroeg waar dat voor diende. Nou, dan weten jullie het wel. Bij pech is ze altijd op hulp van anderen aangewezen.

Ten tweede weet ze nooit de weg en kan deze ook  niet onthouden. Ik heb haar al vaak verteld hoe ze een rondje vliegveld moet rijden en we hebben deze route al een paar keer gereden, maar nog presteert ze het om steeds verkeerd te rijden. Omdat ik iets harder fiets rijd ik het rondje tweemaal en in tegengestelde richting. Als het goed is kom ik haar dus altijd tegen, maar wat schetst mijn verbazing? Vaak zie ik haar niet of ze fietst in het gezelschap van een andere wiel-renner en is dan zo geanimeerd aan het babbelen dat ze mij niet ziet. Op de een of andere manier heeft ze het dan toch weer voor elkaar gekregen om verkeerd te rijden en aan een argeloos passerende wielrenner (altijd een man) de weg gevraagd. En wij mannen zijn bereidwillig als we een hulpbehoevende dame tegenkomen, nietwaar? Ja, dan wel.

Volgens mij doet Carmen het met opzet want ze geniet zichtbaar van al die aandacht.

Inmiddels heb ik er wel spijt van dat we een racefiets voor haar hebben gekocht en dat ze is gaan wielrennen. Maar dat zal niet lang meer duren. Mijn wraak zal zoet zijn. We gaan binnenkort in Limburg fietsen. De Cauberg en de Keuteberg beklimmen. Kijken of ze dan nog zo veel praatjes heeft. Desalniettemin vertrouw ik mijn goedoe, mijn sweettie, mijn moksie, mijn bruine suikertje, mijn tropische verrassing, my black magic woman (zo genoeg?).

Ik steek mijn hand voor haar in het vuur.

Het zijn die “behulpzame” kerels met hun onschuldige smoelen.

Mijn eigen fietsmaatjes. Mijn broeders. Mijn vrienden.

Die vertrouw ik voor geen cent.

De Fransman

Terug naar Fietsverhalen.