De klassieker

Het deelnemen aan klassiekers als bijvoorbeeld Luik – Bastenaken – Luik is als het drinken van je eerste pilsje of het roken van je eerste saffie; eerst word je er goed ziek van, na verloop van tijd wen je eraan en uiteindelijk raak je eraan verslaafd en kun je niet meer zonder, tenminste niet zonder ontwenningsverschijnselen (afkicken!).

Hoe komt dat toch? Een pretje is zo’n rit zeker niet. Je staat niet voor je lol in het holst van de nacht op terwijl je van de gebruikelijke zenuwen toch al nauwelijks hebt kunnen slapen. Het rijden richting Luik is evenmin een verademing en in Luik zelf wordt het je zelf helemaal zwart voor de ogen, letterlijk en figuurlijk. Wat ’n stinkstad!

Om nog maar te zwijgen over de hitte bij de beklimmingen en de kou bij de afdalingen, de steeds weer voorkomende valpartijen, zadelpijn, de stinkende uitlaatgassen van de vele volgwagens en de onbekwaamheid van de chauffeurs ervan, de kleffe bananen, krentenbollen en mueslikoeken die je op een gegeven moment letterlijk de strot uitkomen en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Ook gebeurt het wel eens (mij zelfs regelmatig) dat je een “grote boodschap” moet doen terwijl er nog geen etablissement open is. Dan maar de bosjes in, maar ik kan u verzekeren dat je de rest van de rit niet meer echt comfortabel op je zadel zit.

Of je ziet die lelijke, chagrijnige koppen van je medefiets(t)ers; ook niet echt motiverend.

En zo zijn er nog diverse redenen om van dergelijke tocht af te zien. Tijdens zo’n tocht kun je overigens soms zeer voordelig aan een nieuwe (andere!) fiets komen; menigeen houdt het onderweg (of naderhand) voor gezien en hangt zijn karretje aan de (treur)wilgen.

Wat maakt zo’n klassieker dan wel de moeite waard om te rijden?

Nou, op de eerste plaats natuurlijk de prestatie van het deelnemen en het uitrijden zelf. En het triomfantelijke gevoel dat je krijgt tijdens het bedwingen van die rotbulten, die ieder jaar hoger lijken te worden. En dat duwtje in de rug van het publiek, dat toch alleen speciaal voor ons massaal is toegestroomd om ons moreel te steunen en aan te moedigen, alsof ze op hun vrije dag niets beters te doen hebben. Of wellicht die lieflijke lach van dat aardig meisje, jou een spons verkwikkend water aanreikend (was het nou die lach of de spons die je naar boven doet “vliegen”?). Of misschien toch het bonte gezelschap fietsers uit alle delen van Europa; hoofd-zakelijk Hollanders, maar ook grote groepen Vlamingen, voornamelijk op leeftijd zijnde mannekes wiens woordenschat zich beperkt tot “sodeju” en “miljaar”, Duitsers die er niet uitzien met die grote pothelmen op die toch al veel te dikke koppen en Italianen waarvan het lijkt alsof ze zo uit een modeblad zijn gestapt; op en top gesoigneerd en in het bezit van het allermooiste materiaal (en zo hoort het eigenlijk ook!). Tenslotte is de aanblik van het mooie landschap de moeite waard, tenminste als je daar oog voor hebt.

Mijns inziens kan iemand zich pas echt wielerfanaat nomen als hij tenminste eenmaal in zijn leven aan dergelijke prestatietocht heeft deelgenomen. Nu weet ik wel dat er desondanks mensen zijn die zeggen dat ze een dergelijke tocht niet aankunnen en er de conditie niet voor hebben. Dan zeg ik: “flauwe kul, smoesjes, puur luiheid of gemakzucht. Conditie kun je opbouwen door (meer) te trainen en voor het fietsen in de bergen heb je alleen maar een bergverzet nodig”.

Nee, dan neem ik mijn (wieler)petje af voor dat vrouwtje dat LBL reed op een gewone sportfiets, met een kind achterop. Natuurlijk moest ze vaak afstappen en of ze de tocht helemaal heeft uitgereden betwijfel ik. Dat getuigt van karakter en daar heb ik maar een woord voor: “sjappoo”.

De Fransman

Terug naar Fietsverhalen.