Het Jo-Jo effect (1)

Helaas, de vakantie zit er alweer op. Zelfs vijf weken zijn voorbij voor je er erg in hebt. Volgend jaar neem ik zes weken. Moet kunnen. Nu ik het toch over de vakantie heb wil ik Jo aan jullie voorstellen. Zijn volledige naam is Jo Ranschaert en hij komt uit Zeeuws-Vlaanderen. Uit Sas van Gent om precies te zijn. Zelf zegt hij Sas van Hent. Net zoals de Vlamingen kunnen ze de G niet uitspreken en klinkt deze als een H. Het is grappig om te horen. Jo is secreatris van de gelijk-namige wielerclub aldaar en een begenadigd en fanatiek wielrenner.

Jo is mijn vakantievriend. Wij brengen al jaren achtereen onze vakantie door op dezelfde camping en we ondernemen regelmatig fietstochten samen. Doorgaans ben ik tamelijk slecht in het onthouden van anekdotes of herinneringen, maar als ik aan Jo denk komen allerlei beelden mijn gedachten binnen. Aan ieder daarvan zit een verhaal vast welke ik jullie niet wil onthouden. Onze allereerste tocht eindigde voor Jo nogal onfortuinlijk. Het was zijn kennismaking met het Kempische landschap, of liever gezegd: het Kempische waterschap en tegelijkertijd zijn vuurdoop, of beter gezegd: zijn doop. Het hoe en waarom zal in het verdere verloop van het verhaal duidelijk worden.

Men noemt het gebied rondom Heeze en Leende wel “Parel van Brabant” of “Hart van de Kempen”. En terecht, het is een schitterende omgeving. Op mijn mountainbike kan ik uren vertoeven op de Strabrechtse Heide en op mijn racefiets bevind ik me meestal in de buurt van het Leenderbos. Al die schoonheid wil ik met anderen delen, dus ook met Jo.

Aan de hand van een kaart hadden we een mooie route uitgestippeld. Het was wel oppassen geblazen want er zaten nogal wat onoverzichtelijke en verraderlijke bochten in het parcours. Ik wist dat al. Jo niet. Tenminste toen nog niet. Nu wel. Voor de goede orde moet nog even vermeld worden dat Jo een slechte eigenschap heeft, of eigenlijk twee; hij is ontzettend eigenwijs en zo dwars als een Nuenense aardappel. Ondanks herhaalde waarschuwingen mijnerzijds was Jo al een paar keer bijna de bocht uitgevlogen. Maar zoals gezegd: Jo was eigenwijs. Ik liet hem dus maar. Op een bepaald moment kwamen we wederom bij een scherpe bocht met daaraan evenwijdig het riviertje de Dommel. Ik zag het al aankomen maar hield wijselijk mijn mond; Jo had wel een lesje verdiend. Hij reed weer veel te hard om nog op tijd te kunnen remmen en zei al plons voor hij er erg in had. Nog was er niets aan de hand geweest als hij het struikgewas dat het water van de weg afschermde was ingereden, maar Jo riskeerde liever een gebroken been dan een krasje op zijn mooie racefiets. In dit geval dus een nat pak. Als een volleerd schoonspringer dook Jo in het vieze, drassige water en toen hij weer bovenkwam was zijn wit wielerpetje veranderd in een legerkleurig hoofddeksel. De kikkerdril kwam zijn oren uit. Het was een komisch schouwspel en ik heb me rotgelachen terwijl Jo er maar een beetje dom en schaapachtig bij zat te kijken.

Op de vraag van zijn echtgenote waarom hij zo nat en vies was antwoordde Jo dat hij was gevallen en zo transpireerde van het hardrijden. Hoewel het niet eens was gelogen kon hij het niet over zijn hart verkrijgen de waarheid te vertellen, hij had al genoeg moeten doorstaan.

Later heeft hij het uiteraard wel verteld en kon er toen zelf ook om lachen.

Gelukkig is Jo nu iets minder eigenwijs geworden. Iets, maar niet veel.

Want Jo is een Zeeuw. En een Zeeuw blijft een Zeeuw.

De Fransman

Terug naar Fietsverhalen.