Fietsfobie

Fransman”, zullen jullie wellicht zeggen, “wat is nou weer een fietsfobie? Daar hebben wij nog nooit van gehoord”. Dat zou kunnen, ik ook niet, maar ik denk met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat ik eraan lijd. Tenminste volgens Koen, mijn therapeut. Het lijkt wel of alle zieleknijpers Joep, Jeroen of Koen heten (het zijn in ieder geval oenen), met corresponderende achternamen zoals van Gansewinkel, Greidanus of Zwetsloot. En ik kan het weten want ik heb er de afgelopen jaren al heel wat versleten.

Maar even terug naar mijn fobie. Volgens Koen is deze te wijten aan een ongelukkige jeugd.

Als kind ging ik altijd naar wielrennen kijken, samen met de hele familie. Iemand had een oom, zwager of neef die fietste. Hij was amateur en voor zover ik me kan herinneren eindigde hij nooit bij de eerste tien, voor zover hij nog niet was uitgevallen of gedoubleerd.

De ronde van Best werd toen nog gehouden in het Wilhelminadorp en ons huis lag aan het parkoers. De oom, zwager of neef kwam zich (net als nog een paar anderen) bij ons omkleden. Ik vond dat prachtig en werd aangestoken door het wielervirus. Ik wilde ook graag een racefiets hebben, maar zoals jullie weten waren wij a) te arm en hadden wij b) geen geld, dus wat ik ook zeurde en zanikte een racefiets kwam er niet. Als goedmakertje kreeg ik wel ’n sportfiets met drie versnellingen, waarvan er maar een te gebruiken was; de andere twee waren of te zwaar zodat je je het apezuur trapte, of te licht waardoor je nauwelijks vooruit kwam. En het vehikel had zo’n belachelijk achteruitkijkspiegeltje op het stuur. Jemig wat een kloteding; je stootte er altijd tegen-aan (waardoor het altijd scheef stond), je moest de meest vreemde houdingen aannemen om er wat in te zien, en als je iemand zag aankomen was deze al voorbij voordat je er erg in had. Gelukkig heb ik mijn jeugdtrauma inmiddels verwerkt. Nu ik zelf geld verdien koop ik om de twee jaar een nieuwe racefiets vervaardigd uit de nieuwste en lichtste materialen en opgebouwd met de mooiste en duurste onderdelen.

Dat was een aspect van mijn fietsfobie, maar er is er nog een.

Zoals bij alle fobieen heb ik last van nachtmerries. Ik word dan hyperventilerend en badend in het zweet wakker. In mijn droom krijg ik namelijk altijd een ongeluk. Of ik rij ergens tegenaan, of ik rij ergens in, of ik word overreden. Het eigenaardige echter is dat je in een droom nooit sterft. Net als in een tekenfilm. Je bent toeschouwer, alsof je naar een film kijkt met jezelf als “good guy” in de hoofdrol. En good guys never die. Maar daarom is het nog niet minder eng.

Hiervoor ben ik nog steeds in therapie, want wij, Koen en ik, weten nog niet hoe ik aan deze dromen kom (en vooral hoe ik eraf kom) en welke therapeutische behandeling een succesvolle genezing tot resultaat zal hebben. Ik wil er heel graag vanaf want het put je zowel geestelijk als lichamelijk helemaal uit. Het zal jullie inmiddels ook wel opgevallen zijn dat ik niet meer zo goed fiets als voorheen. De reden daarvan moge nu duidelijk zijn.

Zoals gezegd: ik wil van die nachtmerries af en wie een mogelijke oplossing weet mag het zeggen, ik sta ervoor open. Als je maar niet aankomt met het simpele idee om mijn fiets te verkopen en een andere hobby te zoeken, want die vlieger gaat niet op. Dat heb ik al meerdere malen tevergeefs geprobeerd. Het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet kruipen kan.

Ik word er langzamerhand gek van.

De Fransman

Terug naar Fietsverhalen.