Een (oer)oud verhaal

Dit is het verhaal over Karel Knoesthout, niet te verwarren met zijn neef Kees Houtknoest, die niet helemaal goed bij zijn hoofd was.

Karel was een Neanderthaler, een oermens, je weet wel: half mens, half aap. Zoals alle Neander-thalers had hij een kort, gedrongen lichaam met, in verhouding, ontzettend lange armen welke tijdens het lopen bijna de grond raakten. Ook liep hij tamelijk voorovergebogen, alsof hij een bochel had. De Neanderthalers zouden waarschijnlijk goede wielrenners zijn geweest; zij hadden in ieder geval het perfecte postuur ervoor. Het verstand op nul en de blik op oneindig was al helemaal geen probleem.

Karel en de zijnen leefden in het stenen tijdperk, zo’n slordige 35.000 jaren geleden. Overal lagen grote zwerfkeien zodat iedereen zei: “dit moet wel het stenen tijdperk zijn, dat kan niet anders”. De Neanderthalers deden niets anders dan jagen, vissen en achter de vrouwen aanzitten (in feite is er dus in al die jaren weinig veranderd), maar Karel Knoesthout was een buitenbeentje. Hij was een filosoof, een poeet, een dagdromer.

“Al dat achterlijk gedoe ben ik beu”, dacht hij. “Er moet meer zijn tussen hemel en aarde. Had ik maar een racefiets of mountainbike, dan kon ik weg van hier, avonturen beleven en meer van de wereld zien. Dit Neanderdal met al die mountains is ideaal om te mountainbiken”.

Dus ging Karel Knoesthout aan de slag want hij hield er niet van om bij de pakken neer te zitten. Als dat manneke iets in zunne kop had moest het er ook uit.

Per postduif (gsm’s waren er nog niet) bestelde hij bij Neckermann een gereedschapskist met inhoud en begon te knutselen (de postduif die de kist bezorgde ligt er nu zelf in).

Na maanden van noeste arbeid, veel gevloek en getier liep de eerste fiets (nou ja, fiets) van de lopende band. De wielen waren uit rotsblokken vervaardigd, het gewei van een hert deed dienst als stuur en fungeerde tegelijkertijd als versnellingsapparaat. Het schakelde nogal moeilijk, maar in feite was dit de voorloper van het index schakelsysteem. Het frame was van hout gemaakt.

“Kei-goed” (een zeer populaire uitdrukking destijds), “mieters”, “cool” en “gaaf” zei iedereen. “Shit” riep Kees Houtknoest. Allemaal wilden ze zo’n prachtig vehikel. “Ik een Concorde, ik een Colnago, ik een Gazelle” riep men om de beurt. “Ik een friet met” riep Kees die er natuurlijk weer geen bal van snapte. Maar daar trapte Karel niet in. Dat betekende nog eens jaren en jaren werk, misschien wel tot aan zijn pensioen. “Gaan jullie nou gauw fietsen (!!!)”, zei hij, pakte zijn biezen (die zijn moeder de vorige avond had klaargezet) en maakte zich klaar om op pad te gaan, de grote, wijde wereld in, niet wetende wat hem allemaal te wachten stond.

“Vergeet niet te schrijven, he jongen? En niet teveel televisie kijken he? En vergeet je credit-cards niet”. “Ja, moeder, nee moeder, goed moeder”. Hij gaf haar een afscheidszoen en weg was hij, diepe sporen in het rulle zand achterlatend.

En dat was het laatste wat men van Karel Knoesthout heeft vernomen.

Nog altijd weet men niet wat er met hem is gebeurd al doen geruchten de ronde dat men hem heeft zien fietsen. Nu, honderden eeuwen later, is men het er nog altijd niet over eens wie nu eigenlijk de uitvinder is van de fiets.

Maar wij weten wel beter; Karel Knoesthout is de uitvinder.

Ere wie ere toekomt

De Fransman

Terug naar Fietsverhalen.